De Tederheid van God (deel 1)

conferentie-lkz-15-7-2017.jpgDierbare kleine zielen, tijdens de conferentie van de derde landelijke gebedsdag jongstleden 15 juli te Nijmegen hebben we nagedacht over Gods tedere liefde voor iedere mens; de tedere liefde van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Maar ook de tedere liefde van de H. Maagd Maria kwam aan bod. Jezus spreekt tot Marguerite over Zijn overgrote liefde voor Gods schepsels.

De Liefde in God verleent alle typische goddelijke eigenschappen een oneindig karakter: zijn Grootsheid, zijn Almacht, zijn Schoonheid, enzovoorts. Hij is grenzeloos zoals zijn eigenschappen grenzeloos zijn. Er bestaat een nuance van de Liefde die verwant is aan de Barmhartigheid, namelijk de Tederheid. Terwijl de transcendentie (‘grootheid’) van God ons, die slechts nietige wezens zijn tegenover Hem, een zekere angst inboezemt, stelt zijn tederheid ons gerust en weerhoudt ons ervan om ons afstandelijk te gedragen tegenover Hem. Onze terughoudendheid zou Hem kwetsen.

De ‘Boodschap van de Barmhartige Liefde’ spreekt ons graag over deze onuitsprekelijke tederheid die onze relatie met God volledig kan wijzigen, naarmate wij erin willen geloven en ons erin willen verdiepen. In de Persoon van Jezus definieert God zich als de Tederheid zelf. Zijn houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van zijn buitengewone tederheid.

“Ik ben de Koning der harten, Ik ben de miskende tederheid” 10.3.66. “Ik koester voor u de tederheid van een vader, de liefde van een moeder en de genegenheid van een echtgenoot” 4.4.68. “Ik ben de troost van de bedroefden, de onuitsprekelijke tederheid voor de nederigen” 25.6.67.

Marguerite is blij dat ze de tederheid mag verkondigen en dankt Hem daarvoor:

“Weest geloofd, Heer, voor uw goedheid, voor de onuitsprekelijke Tederheid van uw goddelijk Hart voor uw kinderen” 1.6.70. 

Gods houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van de tederheid. Jezus heeft dit heel speciaal getoond gedurende zijn verschrikkelijke Lijden. Op een zekere Goede Vrijdag verklaarde Hij aan Marguerite:

“Binnen enkele uren de kruisdood. Met een oneindige Tederheid… Ik had al uw zonden op Mij genomen en in mijn gebroken Hart was er zoveel tederheid, zoveel medelijden met mijn beulen” 8.4.66. 

Zijn tederheid geldt allen zonder onderscheid, om de eenvoudige reden dat Jezus alle mensen wil redden. Maar vooral de kleinen:

“De wereld van de kleinen heeft antennes die goed opvangen en niet bedriegen. De onuitputtelijke Bron van tedere liefde, die aan mijn open Hart ontspringt, is voor allen bestemd, zonder onderscheid” 4.11.66. 

Om ons te beminnen en ons te verzekeren van Zijn liefde:

“Denkt niet, dat ge te onwaardig zijt om Mij te benaderen. Ik zal u de heilige stoutmoedigheid geven van de kinderen Gods. Want met heel de tederheid van mijn Hart heb Ik u allen lief zoals ge nooit zult bemind worden” 11.4.67. “Ik heb met tederheid naar u gekeken. Ieder van u heb Ik bij zijn naam genoemd” 4.11.71. “De onuitputtelijke tederheid van mijn Hart, geloof Mij, zou u onmogelijk in de steek kunnen laten, en Ik zal komen, dat beloof Ik u” 7.5.67. 

“En Ik, Ik heb heel de tederheid van mijn Hart in mijn kind gelegd, dat het erover beschikken kan voor allen” 28.11.67. “Mijn kind, ontvang elke Kleine Ziel met tederheid, wees voor haar een klein lichtje.” “Zeg hun (de mensen) dat Ik, hun God, hen niet aan hun lot overlaat, dat Ik vol tederheid waak over de Kleine Zielen van barmhartigheid” 19.1.70. 

Alle mensen hebben een hart om te beminnen. Alleen hiervoor hebben ze het gekregen: om God bovenal te beminnen. Helaas lijken velen zich hiervan niet bewust. En terwijl zij hun Schepper, Hun Verlosser en Vriend beschouwen als een Wezen dat zich ver van hen bevindt, denken zij dat zij Hem niet moeten beminnen. Misschien omdat zij het een onmogelijke zaak vinden, hechten zij zich liever – en vaak in overdreven mate – aan het schepsel (i.c. de mens), en behandelen zij de Heer als een vreemde, een ongewenste, een ongenode gast.

Nochtans is God één van ons geworden door de Menswording. Door ons lot in alles behalve de zonde te delen, maakt Hij vreemd genoeg deze belangrijke plicht van de liefde gemakkelijker. Door niet alleen zijn goddelijke, maar ook zijn menselijke tederheid kwistig uit te delen. Tederheid die zonder maat is en tegelijkertijd op maat, passend bij onze meest verborgen persoonlijke voorkeuren. Indien zij ons onverschillig laat, bewijst dit eenvoudigweg dat wij nog gebonden zijn aan en overheerst worden door een heerszuchtige eigenliefde, waarvan wij ons eerst dringend zouden moeten ontdoen. Indien wij er de moed toe hadden, zou ons hart, onthecht van het geschapene, zich gemakkelijk aan zijn Schepper kunnen hechten en Zijn Liefde met liefde kunnen beantwoorden.

Ten slotte citeren wij nog uit de Boodschap:

“Laat uw hele leven rusten in de onuitsprekelijke tederheid van uw God” 1.2.67.

 

Vgl.; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 36-39. Bewerking door pastoor Geudens.

Een gedachte over “De Tederheid van God (deel 1)

Reacties zijn gesloten.