Maandelijks archief: november 2017

Gebed H. Theresia van Lisieux om een legioen van kleine zielen

Het zaadje van het Legioen Kleine Zielen werd op de akker van de Heer geplant door het verlangen van de heilige Theresia van het Kind-Jezus te Lisieux. In een brief aan haar zuster Marie van het Heilig Hart schreef zij op 8 september 1896 dit gebed:  

“O Jezus, hoezeer zou ik alle Kleine Zielen op het hart willen drukken dat uw mildheid waarlijk onuitsprekelijk is. Ik voel dat als Gij een ziel zoudt vinden die nog zwakker en kleiner is dan de mijne – al lijkt dit onmogelijk – dan zoudt Gij er zeker genoegen in scheppen om haar met nog meer gunsten te overladen, als zij zich ten volle aan Uw oneindige Barmhartigheid zou toevertrouwen.

Maar waarom, Jezus, zou ik ernaar verlangen uw geheimen van liefde bekend te maken? Zijt Gij het zelf niet die ze mij hebt onderwezen, en kunt Gij ze niet aan anderen openbaren?

Ja, ik weet dat het zo is, en ik bezweer U het te doen. Ik smeek U om Uw goddelijke blik te richten op een groot aantal Kleine Zielen. Ik smeek U een Legioen van kleine zoenoffers uit te kiezen die Uw Liefde waardig zijn”. (Geschiedenis van een ziel)

Veel christenen waren in hun hart reeds aangesproken door dit verlangen van de heilige Theresia en zo op de weg van het geestelijk kindschap gezet. Om dit verlangen van de kleine Theresia te verwezenlijken heeft Jezus zelf een kleine Boodschapster gekozen. Haar naam is Marguerite. Gedurende vele jaren zal Hij haar vormen en leiden en haar de “Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen” ingeven.

Vandaag mogen wij zeggen dat de weg van het geestelijk kindschap binnen de Kerk vaste vorm heeft gekregen in een zichtbare verwezenlijking, het Legioen Kleine Zielen, waarvan Jezus de stichting aan zijn kleine Boodschapster Marguerite heeft toevertrouwd. Op 21 november 1983, feest van de Opdracht van Maria, heeft Mgr. G. M. van Zuylen de statuten van het Legioen, welke opgesteld werden volgens de eisen van het kerkelijk Wetboek, goedgekeurd.

De officiële erkenning van het Legioen Kleine Zielen van Jezus’ Barmhartig Hart door de bisschop van Luik maakt het mogelijk dat het Legioen zich over de hele wereld kan verspreiden, groeien en bloeien, met de zekerheid een officiële vereniging van de Kerk te zijn.

Pastoor Geudens

 

De Tederheid van God (Conferentie 15-07-2017, pastoor Geudens)

conferentie-lkz-15-7-2017.jpgDierbare kleine zielen, tijdens de conferentie van de derde landelijke gebedsdag jongstleden 15 juli te Nijmegen hebben we nagedacht over Gods tedere liefde voor iedere mens; de tedere liefde van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Maar ook de tedere liefde van de H. Maagd Maria kwam aan bod. Jezus spreekt tot Marguerite over Zijn overgrote liefde voor Gods schepsels.

Voor de conferentie heb ik gebruik gemaakt van de volgende grondtekst:

“De Liefde in God verleent alle typische goddelijke eigenschappen een oneindig karakter: zijn Grootsheid, zijn Almacht, zijn Schoonheid, enzovoorts. Hij is grenzeloos zoals zijn eigenschappen grenzeloos zijn. Er bestaat een nuance van de Liefde die verwant is aan de Barmhartigheid, namelijk de Tederheid. Terwijl de transcendentie van God ons, die slechts nietige wezens zijn tegenover Hem, een zekere angst inboezemt, stelt zijn tederheid ons gerust en weerhoudt ons ervan om ons afstandelijk te gedragen tegenover Hem. Onze terughoudendheid zou Hem kwetsen.

De ‘Boodschap van de Barmhartige Liefde’ spreekt ons graag over deze onuitsprekelijke tederheid die onze relatie met God volledig kan wijzigen, naarmate wij erin willen geloven en ons erin willen verdiepen. In de Persoon van Jezus definieert God zich als de Tederheid zelf. Zijn houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van zijn buitengewone tederheid.

“Ik ben de Koning der harten, Ik ben de miskende tederheid” 10.3.66. “Ik koester voor u de tederheid van een vader, de liefde van een moeder en de genegenheid van een echtgenoot” 4.4.68. “Ik ben de troost van de bedroefden, de onuitsprekelijke tederheid voor de nederigen” 25.6.67.

Marguerite is blij dat ze de tederheid mag verkondigen en dankt Hem daarvoor:

“Weest geloofd, Heer, voor uw goedheid, voor de onuitsprekelijke Tederheid van uw goddelijk Hart voor uw kinderen” 1.6.70. 

Gods houding tegenover ons en de manier waarop Hij werkt, dragen altijd de stempel van de tederheid. Jezus heeft dit heel speciaal getoond gedurende zijn verschrikkelijke Lijden. Op een zekere Goede Vrijdag verklaarde Hij aan Marguerite:

“Binnen enkele uren de kruisdood. Met een oneindige Tederheid… Ik had al uw zonden op Mij genomen en in mijn gebroken Hart was er zoveel tederheid, zoveel medelijden met mijn beulen” 8.4.66. 

Zijn tederheid geldt allen zonder onderscheid, om de eenvoudige reden dat Jezus alle mensen wil redden. Maar vooral de kleinen:

“De wereld van de kleinen heeft antennes die goed opvangen en niet bedriegen. De onuitputtelijke Bron van tedere liefde, die aan mijn open Hart ontspringt, is voor allen bestemd, zonder onderscheid” 4.11.66. 

Om ons te beminnen en ons te verzekeren van Zijn liefde:

“Denkt niet, dat ge te onwaardig zijt om Mij te benaderen. Ik zal u de heilige stoutmoedigheid geven van de kinderen Gods. Want met heel de tederheid van mijn Hart heb Ik u allen lief zoals ge nooit zult bemind worden” 11.4.67. “Ik heb met tederheid naar u gekeken. Ieder van u heb Ik bij zijn naam genoemd” 4.11.71. “De onuitputtelijke tederheid van mijn Hart, geloof Mij, zou u onmogelijk in de steek kunnen laten, en Ik zal komen, dat beloof Ik u” 7.5.67. 

“En Ik, Ik heb heel de tederheid van mijn Hart in mijn kind gelegd, dat het erover beschikken kan voor allen” 28.11.67. “Mijn kind, ontvang elke Kleine Ziel met tederheid, wees voor haar een klein lichtje.” “Zeg hun (de mensen) dat Ik, hun God, hen niet aan hun lot overlaat, dat Ik vol tederheid waak over de Kleine Zielen van barmhartigheid” 19.1.70. 

Alle mensen hebben een hart om te beminnen. Alleen hiervoor hebben ze het gekregen: om God bovenal te beminnen. Helaas lijken velen zich hiervan niet bewust. En terwijl zij hun Schepper, Hun Verlosser en Vriend beschouwen als een Wezen dat zich ver van hen bevindt, denken zij dat zij Hem niet moeten beminnen. Misschien omdat zij het een onmogelijke zaak vinden, hechten zij zich liever – en vaak in overdreven mate – aan het schepsel (i.c. de mens), en behandelen zij de Heer als een vreemde, een ongewenste, een ongenode gast.

Nochtans is God één van ons geworden door de Menswording. Door ons lot in alles behalve de zonde te delen, maakt Hij vreemd genoeg deze belangrijke plicht van de liefde gemakkelijker. Door niet alleen zijn goddelijke, maar ook zijn menselijke tederheid kwistig uit te delen. Tederheid die zonder maat is en tegelijkertijd op maat, passend bij onze meest verborgen persoonlijke voorkeuren. Indien zij ons onverschillig laat, bewijst dit eenvoudigweg dat wij nog gebonden zijn aan en overheerst worden door een heerszuchtige eigenliefde, waarvan wij ons eerst dringend zouden moeten ontdoen. Indien wij er de moed toe hadden, zou ons hart, onthecht van het geschapene, zich gemakkelijk aan zijn Schepper kunnen hechten en Zijn Liefde met liefde kunnen beantwoorden”.

Ten slotte citeren wij nog uit de Boodschap:

“Laat uw hele leven rusten in de onuitsprekelijke tederheid van uw God” 1.2.67.

Vgl.; De gedachten van Jezus’ Hart, R. Jaouen C.M., Uittreksels uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen, blz. 36-39.

A. Ory: ‘De sleutel van het Rijk der Hemelen’

Op zekere dag bracht Jezus een kind in de kring. Zijn commentaar hierbij is wereldberoemd: “Als gij niet opnieuw wordt als kleine kinderen zult gij het Rijk der Hemelen niet binnengaan” (Mt.18.3). Met dit gebaar heeft Hij de ‘kleinheid’ ter sprake gebracht, niet in een zwevend begrip, maar in een springlevend kind. Deze taal verstond iedereen. Nogal straf: Klein worden of zijn Rijk niet binnen. Is dit een idyllisch gebaar van Jezus, de kindervriend of meent Hij het echt? In dat geval is ‘kleinheid’ niet meer vrijblijvend. Dan is het geen randverschijnsel meer, maar de sleutel die toegang geeft tot het Rijk.

Bij een andere gelegenheid heeft Hij nog wat meer uitleg gegeven: “Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor ‘wijzen en verstandigen’ en ze geopenbaard hebt aan ‘kleinen’“ (Mt.11,25). De ‘kleinen’ staan hier duidelijk tegenover de ‘wijzen en verstandigen’. Aan de eersten kan God zijn geheimen openbaren, aan de laatsten niet. Het gaat uiteindelijk om openheid of geslotenheid tegenover God. Deze heeft iedereen zonder uitzondering op het oog om zijn geheimen mee te delen. Indien Hij desondanks voor ‘wijzen en verstandigen’ verborgen houdt wat Hij aan ‘kleinen’ kan openbaren, ligt dit uitsluitend aan de gesteltenis bij de mensen. De enen zeggen ‘nee’, de anderen ‘ja’ op zijn aanbod.

Jezus heeft allerhande mensen ontmoet in zijn leven onder meer vissers en geleerden. Bij de eersten vond Hij vooral gehoor, bij de laatsten verzet. De enen waren klein, de anderen wijs en verstandig. De eersten leerden Jezus als ware God aanbidden, de anderen stelden Hem als boosdoener terecht aan een kruis.

Wijs en verstandig is men van nature uit, omdat men spontaan voortbouwt op de normen waarover men beschikt. Kleinheid moet men leren, in zoverre men zijn eigen normen inlevert tegen vreemde normen. Klein worden is riskant als de sprong van een parachutist. Men moet leren oordelen volgens de normen van God.

In het evangelie treffen wij enkele sprekende voorbeelden aan; Zacharias, Johannes de Doper, Simon Petrus en Maria.

Toen Zacharias de boodschap kreeg dat zijn vrouw een kind zou krijgen stelde hij zijn zienswijze boven die van de engel. Dat kon onmogelijk, omdat Elisabeth al op gevorderde leeftijd was (Lc.1,18). Zijn stomheid is het uiterlijk teken geworden hoe wijs en verstandig hij was. Kleinheid heeft hij achteraf wel geleerd.

Zijn zoon, Johannes de Doper, stond er niet beter voor. Op zekere dag stuurde hij twee van zijn leerlingen naar Jezus met de vraag: “Zijt Gij Diegene die komen moet, of hebben wij een andere te verwachten?” (Mt.11,3) Hij zat toen namelijk opgesloten in de gevangenis en vanuit Jesaja wist hij dat de Messias zou komen “om aan gevangenen verlossing te melden” (Jes.61,1). Vooralsnog had Jezus geen poging ondernomen om hem te bevrijden. Na Jezus’ antwoord heeft Johannes zijn wijsheid ingeruild voor die van zijn Meester. Ook hij heeft kleinheid moeten leren.

In verband met Jezus’ lijden heeft Simon Petrus geprotesteerd: “Zo iets mag U nooit overkomen” (Mt.16,22). Verzet tegen het lijden was de enige zinvolle vorm van liefde bij Petrus voor Jezus. En toch was deze eigenwijs. Het antwoord van Jezus was schrikwekkend: “Weg, Satan, gij zijt Mij een aanstoot. Gij oordeelt volgens de normen van mensen en niet volgens de normen van God” (Mt. 16, 23). Deze zin bevat de bepaling van wat ‘kleinheid’ is: oordelen volgens de normen van God en niet volgens die van mensen.

Maria incarneert ten volle dat uitzonderlijk ideaal. Toen de engel Gabriël haar de boodschap bracht dat zij in haar maagdelijkheid moeder zou worden, stelde zij haar bezwaren onmiddellijk terzijde om geloof te hechten aan de woorden van Gods gezant. Zij zei niet: “Dat is onmogelijk daar ik geen man beken”, maar wel: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken” (Lc.1.34). Door haar fiat heeft Maria de menswording mogelijk gemaakt.

De Schriftgeleerden, hogepriesters en farizeeën daarentegen zijn bij hun zienswijze gebleven. Zij zijn nooit tot kleinheid gekomen. Hierdoor hebben zij zich buiten zijn Rijk gesloten.

Op onze dagen blijft die ‘kleinheid’ even noodzakelijk als tijdens Jezus’ openbaar leven op aarde. Meer dan ooit krioelt het van ‘wijzen en verstandigen’ die zich sluiten voor zijn boodschap, omdat ze hun normen verkiezen boven die van God. Zij heten humanisten, atheïsten, enz. Ook binnen de kring van de katholieke Kerk zijn er velen die met misprijzen neerzien op de ‘kleinheid’. Hoevelen stellen hun inzichten boven de leer van de Kerk?

Daarom wil Jezus zijn gebaar van het kind in de kring duizenden keren herhalen. Hij wil gebedsgroepen van het legioen kleine zielen om in elk dorp, in elke stad te getuigen van zijn Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen. Dit is geen reden tot fierheid en nog minder tot ijdelheid. Het roept alleen een huiveringwekkende verantwoordelijkheid voor de geest.

Tussen Evangelie en Boodschap bestaat een zeker verschil wat betreft de ‘kleinheid’. In het Evangelie is zij bijna verborgen tussen duizend andere parels; in de Boodschap wordt zij in het volle daglicht gesteld. Zowel in de titel van het boek als in de benaming van de leden is er sprake van.

Wat betekent dan dit kostbaar kleinood? Is het synoniem van eenvoud of nederigheid? Destijds heeft men de benaming ‘kleine zielen‘ willen vervangen door ‘eenvoudige zielen’, omdat men nogal botste op de spot ‘kleinzieligheid’. Hierop heeft Jezus geantwoord:

“Klein behoudt heel zijn betekenis en moet deze bewaren in elke taal. Als gij niet wordt als kleine kinderen zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan. Mijn rijk wordt op aarde gevestigd door het beoefenen van de kleinheid. Gij zult Mij enkel vinden in de allerkleinsten. Weest klein genoeg om te begrijpen en over de futiliteiten van dit leven heen te stappen. Ik ben in u, mijn kleine kinderen, en met u zal Ik de machtigen beschamen.” (26.11.1972)

De kleinheid is voor de andere deugden wat de stam van een boom is voor de takken. Kleinheid is de familienaam, de andere deugden zijn voornamen: nederigheid, liefde, zin voor gebed, vertrouwen, zuiverheid, waarachtigheid, gehoorzaamheid, vurigheid, offerzin, eerbied voor de Eucharistie, strijdvaardigheid. Deze boodschappen ter illustratie:

“Ik vraag nederige kleine zielen, om de hoogmoed te bestrijden, liefdevolle, om het gebrek aan liefde te bestrijden, edelmoedige, om de zelfzucht te bestrijden, kleine zielen die bidden, om te strijden tegen het gebrek aan gebed, kleine zielen vol vertrouwen, om het pessimisme te bestrijden, kleine zielen die zuiver zijn, om de onzuiverheid te bestrijden, kleine zielen die waarachtig zijn, om de leugen en de huichelarij te bestrijden, kleine zielen met de geest van onderdanigheid, om de ongehoorzaamheid te bestrijden, vurige kleine zielen, om de lauwheid en de lafhartigheid te bestrijden, kleine zielen die zichzelf slachtofferen, om de ketterij te bestrijden. En aan ieder van hen vraag Ik een mateloze eerbied voor mijn Liefdesacrament. Ik wil geestdriftige verdedigers van dit zozeer door smaad getroffen sacrament.” (17.2.1970)

 “Ja, kindlief, geef Mij als voedsel aan de zielen. Geef het beste van uw ziel die Ik met mijn liefde vruchtbaar heb gemaakt. Sluit niemand uit bij de uitreiking van het levenszaad dat Ik in uw hart heb gestort. Allen moeten eten, allen moeten zich aan mijn wet onderwerpen.“ (20 april 1970)

“De kleine zielen ontvangen mijn Woord met gretigheid, want het is voedsel voor het geestelijk leven. De hoogmoed en dergelijke voeden de zielen niet, maar storten hen in het verderf.” (20 april 1970)

  

Uit; Armand Ory, Sicuti Parvuli, Het Legioen Kleine Zielen, Achtste jaargang, Nr. 3, September 1980, blz. 7-16. Bewerking door pastoor Geudens.

Kort levensverhaal van Marguerite

Marguerite werd geboren op 21 juni 1914 in een Waals arbeidersgezin. Zij was de jongste van vier kinderen, drie jongens en één meisje. Haar ouders waren zeer eerlijke mensen, maar voor wat het geloof betreft, helemaal niet praktiserend. Zij gaven geen enkel godsdienstonderricht aan hun kinderen. Integendeel, zij verlangden zelfs dat hun dochter vrijgesteld zou worden van het godsdienstonderricht in de Rijksbasisschool, waar zij naar school ging. Op eigen aanvraag werd Marguerite gedoopt op twaalfjarige leeftijd. Dit gebeurde op 17 maart 1927 zonder dat haar ouders of andere gezinsleden er ook maar iets mee te maken hadden. Maar na haar doopsel ontving zij geen enkel godsdienstonderricht meer. Zij zegt zelf:

“Jammer genoeg veranderde er niets in mijn leven, ondanks de ontzaglijke genade die ik ontvangen had. Het belang van die genade wist ik overigens alleen die dag naar waarde te schatten. Ik wist nog steeds niets af van de godsdienst. Ik had geen juist begrip van goed en kwaad, hoewel ik in het diepst van mijn hart het kwaad met alle krachten verafschuwde” (Boekdeel 1, p. 13).

Na de basisschool volgde zij nog twee jaar huishoudschool. Toen ging zij – na een leertijd in een confectiebedrijf – in een kledingwinkel werken te Luik. Zij trouwde op 19-jarige leeftijd met een eerlijke arbeider die net zoals zij, ook niet praktiserend gelovig was. Omwille van hem gaf zij haar werk op. Zij bleven ook bij haar ouders inwonen. Uit hun huwelijk werden drie kinderen geboren, één meisje en twee jongens. Aan het einde van de oorlog 1940 – 1945 werd haar een eerste buitengewone genade geschonken. Omdat haar moeder terminale kanker had en door de artsen was opgegeven, besloot Marguerite op bedevaart te gaan naar de kleine kapel van O.L.Vrouw van Chèvremont. Aan Maria, wilde ze om de genezing van haar moeder vragen. Zij dacht hierbij niets te verliezen te hebben, als de Heilige Maagd werkelijk zou bestaan. Onze Lieve Vrouw bewees het haar. Zij schonk haar een grote gunst. Bij haar thuiskomst had haar moeder al een beetje gegeten en zat rechtop. Maandenlang ging Marguerite nog iedere week naar het kapelletje te Chèvremont bij Maria de gezondheid van haar moeder afsmeken. Haar moeder werd niet alleen beter maar genas volledig. Zij bleef daarna steeds goed gezond en stierf jaren later, op 26 augustus 1970, op 93 jarige leeftijd. Ondanks de verhoring van haar gebed en de genezing van haar moeder had Marguerite zich innerlijk nog steeds niet gewonnen gegeven aan de Goddelijke genade.

Op zekere dag in 1946 vroeg Marguerite aan één van haar buurvrouwen haar met Kerstmis mee te nemen naar de middernachtmis. Zij was nog nooit naar de H. Mis geweest. En daar gebeurde het…

“En die nacht viel me een andere gunst te beurt. Ze was van onschatbare waarde. Toen ik het Kind Jezus in zijn kribbe zag, was ik onuitsprekelijk ontroerd. De hele Mis door moest ik wenen. Ik kon mijn tranen niet verbergen. En mijn hart bonsde, bonsde. En het Kind Jezus lachte me toe. O God, wie zou het kunnen beschrijven wat dit ogenblik voor mij betekende? Hij had mij veroverd. Van dan af ging ik trouw elke zondag naar de H. Mis…” (Deel 1, p. 16).

In die tijd voelde Marguerite ook de behoefte om te biechten. Zij ging aanbellen aan de poort van het Karmelietenklooster te Chèvremont. Daar kreeg zij haar eerste geestelijke leidsman toegewezen: E.P. Lambert van St. Paul. Deze hielp haar in haar bekeringsproces en begeleidde haar bij de ontplooiing en prille beleving van haar roeping welke Jezus haar begon te openbaren door buitengewone genadegaven, waaronder verschillende droombeelden. Marguerite getuigt zelf over het begin van haar geestelijk leven als volgt:

“Zekere nacht had ik een zonderlinge droom. Ik zag me zelf helemaal verloren te midden van een ontzaglijke menigte. Toen zag ik een vrouw met een kindje op de arm. Ze ging langzaam en bleef voor iedereen staan. Allen reikten naar het kind. Dit keek hen aan, schudde het hoofd en wendde de blik af… en de vrouw ging almaar verder. Hetzelfde tafereel speelde zich af bij elke stap. Angstig zag ik hen naderbij komen en ik dacht: “Lieve God, als het zich maar niet van mij afwendt…” En wat dan volgde was verrukkelijk. Het kind keek mij aan, glimlachte en stak zijn handjes naar mij uit. Het overstelpte mij met liefkozingen en ik deed hetzelfde, vervuld van liefde en eerbied. Ik gaf het daarna terug aan zijn moeder en daarop verdwenen ze. Deze droom maakte een vreemde en verwarrende indruk op mij. Ik stelde E.P. Lambert ervan in kennis. Hij zei mij, dat het zeker de Heilige Maagd was met haar goddelijke Zoon. Na zoveel jaren heb ik die droom nooit kunnen vergeten. Er volgden trouwens nog verscheidene andere dromen die niet minder stichtelijk waren. Welke genade! Waarom had Hij mij uitverkoren, mij, arm zondaresje? Op dat ogenblik was op dit gebied voor mij nog alles nieuw en ondoorgrondelijk” (Boekdeel 1, pp. 17-18).

De reacties op haar bekering bleven niet uit. Er was heel wat verzet losgekomen in haar omgeving. Haar naastbestaanden konden het niet geloven. Hun spot en hun ontevredenheid deed Marguerite pijn. Maar door Gods Genade gesterkt hield zij stand.

“Maar lieve hemel, wat had ik te kampen met menselijk opzicht, vele moeilijkheden had ik te trotseren vanwege degenen die me eigenlijk hadden moeten helpen en die nu alles in het werk stelden om me terug te storten in het leven, dat ik kost wat kost wou ontvluchten sinds ik Gods roepstem had gehoord. Dat wisten ze echter niet” (Boekdeel 1. p. 19).

Na de dood van haar eerste leidsman, Pater Lambert, in 1961, zocht Marguerite gedurende drie jaar een andere geestelijke leidsman die begreep wat er in haar omging. Zo kwam ze uiteindelijk terecht bij pater Gaston Maes, Redemptorist. Hij was ooggetuige geweest van de verschijningen van Onze Lieve Vrouw te Beauraing en daarna een bekende historicus betreffende deze gebeurtenissen. Ondertussen onderhield Jezus zich door inspraken (woorden die zij ontving in haar hart) met Marguerite. Wegens het belang van wat zij ontving en omdat hij het bovennatuurlijk karakter ervan inzag, vroeg pater Maes aan Marguerite om alles op te schrijven. Hij zag in dat de boodschappen die Marguerite ontving niet alleen voor haar bestemd waren, maar ook voor ieder van ons. Zo begon Marguerite met het schrijven van het “dagboek” van de Barmhartige Liefde.

Omdat de boodschappen van Jezus zo diepgaand en heel vaak bestemd zijn voor alle christenen en alle mensen van goede wil, vroeg pater Maes aan de Bisschop van Luik het Imprimatur aan. Mgr. G.M. van Zuylen gaf zijn Imprimatur op 4 maart 1971 voor de Boodschappen tot 8 juni 1970. Voor de latere Boodschappen die tot nu toe in vier boekdelen zijn uitgegeven, werd telkens weer het Imprimatur of het Nihil Obstat van de Bisschop verkregen. Er mogen ook geen nieuwe Boodschappen (van 1996 en later) gedrukt of uitgegeven worden voordat zij eerst het Imprimatur of Nihil Obstat verkregen hebben.

Marguerite, boodschapster van de Barmhartige Liefde en stichteres van het Legioen Kleine Zielen, overleed te Luik op 14 maart 2005. Nu mag zij in eeuwigheid leven bij haar geliefde Jezus, die ooit tot haar heeft gezegd:

“Laat de tijd zijn tijd hebben, mijn klein mysterie. Voortaan zult gij ‘glimlach van God’ heten. In de hemel zal dit uw naam zijn.” (Boodschap 19.10.1994)

Pastoor Geudens