Dom Marmion: Het Eucharistisch Offer

De vruchten van het H.Misoffer.

Christus, eindelijk, heeft met een liefdevolle vrijheid dat offer aanvaard en opgedragen; « men heeft Hem het leven ontnomen, alleen omdat Hij het gewild heeft » (Joh. 1018); en Hij heeft het gewild, alleen « omdat Hij zijn Vader beminde »: Ut cognoscat mundus quia diligo Patrem, sic facio (Jes. 1431).

Ook heeft die slachtofferande van een God, een vrijwillige en liefdevolle slachtofferende, het heil van het menselijk geslacht bewerkt: Jezus’ dood koopt ons vrij, verzoent ons met God, herstelt het verbond waaruit voor ons alle goederen voortvloeien, heropent ons de poorten des hemels, schenkt ons weer het erfdeel van het eeuwig leven. Dat sacrificie voortaan volstaat voor alles: daarom, wanneer Christus sterft, scheurt het voorhangsel van Israëls tempel in tweeën, om te tonen dat de oude sacrificiën voor immer worden afgeschaft en vervangen door het enige offer dat God waardig is. Voortaan bestaat er slechts heil en gerechtigheid in het deelachtig zijn aan het offer van het kruis, welke vruchten onuitputtelijk zijn. « Door dat éne offer, zegt St. Paulus, heeft Christus in eeuwigheid de volmaaktheid verworven voor degenen, die moeten geheiligd worden » (Hebr. 10 14).

De H.Mis;

  1. Zijn Vruchten,
  2. Bron van vertrouwen en van vergeving,
  3. Dankzegging bij uitstek,
  4. Een smeekoffer.

Zijn Vruchten

De vruchten der Mis zijn onuitputtelijk, want het zijn de vruchten zelf van het sacrificie van het kruis. Dezelfde Christus Jezus offert zich voor ons op aan zijn Hemelse Vader.

Volgens het Concilie van Trente is het na de sacramenten vooral in de Mis, dat ons die verdiensten het overvloedigst toegepast worden.

Daarom draagt elke priester niet de Mis op voor zichzelf, maar voor allen die er aanwezig zijn, voor alle gelovigen, levenden en doden.

Zo rijk, zo onmetelijk zijn de vruchten van dat sacrificie, zo verheven is de glorie, die er door aan God toekomt! Voelen wij in ons het verlangen om Gods oneindige grootheid te erkennen en om Hem, spijts onze armoede als schepsel, een hulde aan te bieden zijn majesteit waardig, een hulde die zeker uit onze handen zal worden aangenomen, laten we dan het H. Misoffer opdragen, ofwel laten we er in tegenwoordig zijn, en laten we aan God het goddelijk slachtoffer aanbieden: de eeuwige Vader ontvangt daar, evenals op Kalvarië, een hulde van oneindige waarde, een hulde zijn oneindige volmaaktheden volkomen waardig.

Bron van vertrouwen en van vergeving

Wanneer we ons neergedrukt voelen door de herinnering aan onze misslagen, en we naar middelen zoeken om onze beledigingen te herstellen en meer volkomen aan de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen, opdat de straffen der zonde ons zouden worden kwijtgescholden, kunnen we er geen krachtiger, geen meer geruststelling vinden dan de H.Mis.

Luistert naar het Concilie van Trente: « Wijl God, verzoend door de opoffering der Mis, de genade en de gave van boetvaardigheid verleent, vergeeft Hij de misdaden en zelfs de zeer zware zonden »: Vergeeft de Mis rechtstreeks de zonden? Neen, dat wordt aan het Sacrament van boetvaardigheid en aan het volmaakt berouw voorbehouden: maar de Mis bevat overvloedige en machtige genaden, die de zondaar verlichten en hem akten van spijt en berouw doen verwekken, die hem tot boetvaardigheid zullen brengen en hem, daardoor, Gods vriendschap zullen terugschenken.  

De Mis niet alleen een aanbiddingsoffer is, of een eenvoudige ‘herinnering aan dat van het kruis; maar ’t is een waarachtig zoenoffer, door Christus ingesteld « om ons dagelijks de verlossende kracht van het offer van het kruis toe te passen »

Daarom zien we de priester, die reeds Gods vriendschap bezit, het offer opdragen « voor zijn zonden, zijn beledigingen en zijn ontelbare tekortkomingen ».

Het goddelijk slachtoffer verzoent God en maakt Hem goedgunstig jegens ons.

« O eeuwige Vader, aanschouw dit altaar, aanschouw uw Zoon, die mij bemind en die zichzelf voor mij op Kalvarië heeft geleverd; die U voor mij zijn oneindige voldoeningen aanbiedt: Respice in faciem Christi tui (Ps, 8310), en vergeet de fouten die ik tegen uw goedheid heb bedreven. Ik draag U dit offer op, waar Gij uw welbehagen in vindt, tot herstel voor al de beledigingen; aan uw goddelijke majesteit aangedaan ».

Zo, een gebed kan niet anders dan door God verhoord worden, omdat het steunt op de verdiensten van de welbeminde Zoon, die door zijn lijden alles heeft geboet.

Dankzegging bij uitstek

De Mis is de dankzegging bij uitmuntendheid, de volmaaktste en aangenaamste, die wij ooit aan God kunnen geven. Het Evangelie zegt dat Onze Heer, alvorens dit sacrificie in te stellen, zijn Vader « dank zei »: eucharistèsas. St. Paulus bezigt dezelfde uitdrukking, en de Kerk heeft dat woord, bij voorkeur boven elk ander, alhoewel het de andere kenmerken der Mis niet uitsluit, bewaard om het Altaaroffer aan te duiden: Eucharistisch offer, dat wil zeggen offer van dankzegging. Ziet: in elke Mis, na de offerande en vóór de consecratie, zingt de Priester, in navolging van Jezus, een dankgebed:

« ’t Is waarlijk passend en billijk, redelijk en heilzaam, o heilige Heer, almachtige God, U altijd en overal dank te zeggen… door Christus Onzen Heer »: Per Christum Dominum nostrum.

Vervolgens draagt hij het H. Slachtoffer op: dat bedankt voor ons, dat erkent op passende wijze, want Jezus is God. — al de weldaden, die ons van boven werden toegezonden uit de schoot van de eeuwige vader.

Een smeekoffer

Onze behoefte is onmetelijk: voortdurend hebben wij licht, sterkte, troost nodig. Dat alles zullen wij in de Mis vinden.

Inderdaad, daar is waarlijk Hij die gezegd heeft: « Ik ben het licht der wereld; Ik ben de weg, Ik ben de waarheid, Ik geef het leven. Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken. Indien iemand tot Mij komt, zal ik hem niet verstoten » : Et eum qui venit ad me, non ejiciam foras (Joh. 637), Hij is dezelfde Jezus, die « overal is doorgegaan al weldoende » ; die aan de Samaritaanse vrouw en aan Magdalena, die aan de goede moordenaar vergeving heeft geschonken; die de bezetenen verloste, de zieken genas, de blinden deed zien en de kreupelen liet gaan; dezelfde Jezus, die St. Johannes’ hoofd op zijn heilig Hart liet rusten… Doch merkt wel op dat Hij daar, op het altaar, in een gans bijzondere hoedanigheid is: Hij is daar als ‘heilig’ slachtoffer, hetwelk op dat ogenblik zichzelf opoffert aan zijn Hemelse Vader en zichzelf opoffert voor ons; Hij is daar geslachtofferd, en toch levend en biddend voor ons: Semper vivens ad interpellandum pro nobis (Hebr. 725).

De genadestroon, tot welke wij met vertrouwen moeten naderen, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade en hulp voor gepaste tijden (Hebr. 4 16).

Hoe moeten wij de H.Mis bijwonen?

Onthoudt wel deze woorden van St. Paulus: Cum fiduciá « met vertrouwen ». ’t Is de voorwaarde om verhoord te worden. We moeten het H. Sacrificie opdragen of het bijwonen met geloof en vertrouwen. Dat offer werkt in ons niet, gelijk de sacramenten, ex opere operato. Zijn vruchten zijn onuitputtelijk, doch zij worden ons grotendeels volgens onze inwendige gesteldheid toegevoegd. In elke Mis zijn er, voor ons, oneindige mogelijkheden van volmaaktheid en van heiligheid; doch de maat van genaden, die wij er ontvangen, is die van ons geloof en van onze liefde.

Ge zult reeds opgemerkt hebben dat de priester, wanneer, hij, vóór de consecratie, opnoemt wie hij aan God wil aanbevelen, op het einde van al de aanwezigen spreekt, doch ‘terzelfder tijd melding maakt van de gesteldheid hunner harten: Et omnium circumstantium quorum tibi fides cognita est et nota devotio, «

Gedenk o Heer… allen die hier tegenwoordig zijn, wier geloof en godsvrucht U bekend zijn ».

Die woorden duiden ons aan dat de genaden, die uit de Mis voortvloeien, ons worden medegedeeld naarmate de levendigheid van ons geloof en de oprechtheid onzer godsvrucht. Wat het geloof is,’ heb ik u gezegd; doch wat is de nota devotio? Het is de vaardige en volkomen toewijding of schenking van geheel onszelf aan God, aan zijn wil, aan zijn dienst; God, die alleen in het diepste van ons hart leest, ziet daar ons verlangen, onze wil om Hem getrouw te zijn, om Hem toe te behoren, oprecht is. Is dat alzo, dan behoren we tot degenen, voor wie de priester in ’t bijzonder bidt, en die rijkelijk zullen putten uit de oneindige verdienstenschat van Christus, die voor hen wordt opgeofferd.

Indien we dan de diepe overtuiging hebben dat alles ons toekomt van de Hemelse Vader door Christus Jezus, dat God in Christus heeft neergelegd al de schatten van heiligheid, die de mensen kunnen verlangen, dat die Jezus op het altaar is met zijn schatten, dat Hij er niet alleen tegenwoordig is, doch zich opoffert voor ons tot glorie van zijn Vader; Hem op dat ogenblik de volmaaktste hulde aanbiedt die Hem kan behagen; het sacrificie van het kruis vernieuwt om er de opperste kracht van te bestendigen en ze ons toe te passen ; indien wij, zeg ik, die diepe overtuiging hebben, zal er geen genade zijn of wij zullen ze kunnen vragen en verkrijgen. Want op dat ogenblik is het alsof wij met Maria, met Johannes en Magdalena aan de voet van het kruis staan, aan de bron zelf van alle heil en van alle verlossing. O, kenden we de gave Gods!

Er bestaat een inniger deelneming, en die moeten we trachten te verwezenlijken. Welke is zij? Ons zo volmaakt mogelijk vereenzelvigen met Christus Jezus in zijn tweevoudige hoedanigheid van hogepriester en van slachtoffer, ten einde in Hem veranderd te worden. Is dat mogelijk?

In zijn Menswording heeft het Woord, door een mystieke vereniging, de gehele mensheid aan zijn mysteriën en aan zijn Persoon verbonden. Geheel de mensheid maakt één mystiek lichaam uit, waarvan Christus het hoofd is, één maatschappij, waarvan Hij de Heer is en wij de ledematen zijn. In grondbeginsel kunnen de ledematen zich niet van het hoofd scheiden noch aan zijn werking vreemd blijven. Jezus’ handeling bij uitmuntendheid, die geheel zijn leven samenvat en het zijn volle waarde geeft, is Zijn Offer.

Beschouwen we een ogenblik de stof van het sacrificie, het brood en de wijn, die zullen veranderd worden in ’t lichaam en bloed van Jezus Christus. De H.H. Kerkvaders hebben onze aandacht gevestigd op de zinnebeeldige betekenis van die twee elementen. Het brood wordt gemaakt van graankorrels, gemalen, en met elkaar verenigd, zodat ze slechts één zelfstandigheid uitmaken; de wijn, van druiven, samengebracht en geperst tot één drank: dat is het beeld van de vereniging der gelovigen met Christus en van al de gelovigen met elkander.

Op het ogenblik der offerande giet de priester in de kelk, die reeds wijn bevat, een druppel water. Wat betekent die ceremonie? Zij wordt uitgelegd door het haar begeleidend gebed:

« o God, die de waardigheid der menselijke natuur op een wonderbare wijze hebt geschapen, en op een nog meer wonderbare wijze hersteld hebt: laat ons door het geheim van dit water en deze wijn deelachtig worden aan de Godheid van Hem, die zich gewaardigd heeft, aan onze mensheid deelachtig te worden: Jezus Christus, uw Zoon; onze Heer, die met U leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen ».

Vervolgens offert de priester de kelk, opdat hij voor Gods aanschijn opstijgt in geur van zoetheid, in odorem suavitatis. Bijgevolg het geheim, door deze vermenging van water en wijn verzinnebeeld, is vooreerst de vereniging, in Christus, van de godheid met de mensheid; uit dat geheim vloeit er een tweede, insgelijks door dat gebed aangeduid: onze vereniging met Christus in zijn sacrificie: de wijn vertegenwoordigt Christus, het water het christenvolk.

Wij behoren met Christus verenigd te zijn in zijn slachtoffering, wij moeten onszelf met Hem opofferen, dan neemt Hij ons met Hem, Hij; slachtoffert ons met Hem, Hij brengt ons voor zijn Hemelse Vader, in odorem suavitatis. Onszelf moeten wij opdragen met Jezus Christus. Indien door het Doopsel de gelovigen deelachtig zijn aan Christus’ priesterschap, dan is dat, zegt de H. Petrus, « ten einde geestelijke offers op te dragen, aangenaam aan God door Jezus Christus »: Sacerdotium sanctum, offerre spirituales hostias acceptabiles Deo per Jesum Christum (I Petr. 2 5).

Dat is zó waar dat de Kerk, in meer dan één gebed dat volgt op de offerande, die zij daar juist aan God heeft opgedragen in afwachting van het ogenblik van de consecratie, de vereniging van ons offer met dat van haar Bruidegom aanduidt.

 « Wil, smeken we, Heer, deze gaven goedgunstig heiligen: en bij het aanvaarden deze geestelijke offerande onszelf tot een voortdurend offer voor U maken. Door Onzen Heer Jezus Christus ».

Wat ons aangaat, wij sterven slechts met Hem, indien wij ons met het altaarsacrificie verenigen. En hoe ons met Christus Jezus als slachtoffer verenigen? Door, gelijk Hij, onszelf volkomen over te leveren, onszelf volkomen te onderwerpen aan het goddelijk welbehagen.

God moet volkomen kunnen beschikken over het slachtoffer dat Hem opgedragen wordt; onze hoofdgesteldheid moet zijn, alles aan God te willen geven, onze werken van zelfverloochening en van versterving te volbrengen, het lijden, de beproeving en de last van elke dag aan te nemen uit liefde tot Hem, zodat wij, gelijk Jezus Christus ten dage van zijn lijden, kunnen zeggen: Ut cognoscat mundus quia diligo Patrem, sic facio; laat de wereld weten dat ik de Vader liefheb, en dat doe ik ook.

Dat is met Jezus zich opofferen. Wanneer wij aan de eeuwige Vader zijn goddelijke Zoon opofferen, en wij onszelf opofferen. met « de heilige Hostie », met dezelfde gesteldheid, die Christus’ heilig Hart bezielde aan het kruis: vurige liefde tot zijn Vader en tot zijn broeders, innig verlangen naar de zaligheid der zielen, volkomen overgave aan elke wil van God, vooral in hetgeen die pijnlijks of met onze natuur tegenstrijdigs vertoont, alsdan brengen wij aan God de volmaaktste hulde die Hij van ons kan ontvangen. Dan ook vinden we ’t zekerste middel om ons in Jezus te veranderen, bijzonder wanneer wij ons met Hem verenigen in de H. Communie, die de vruchtbaarste deelneming is aan het altaarsacrificie. Want wanneer Christus ons met Hem verenigd vindt, slachtoffert Hij ons met Hem, maakt ons aangenaam aan zijn Vader, en doet ons, door zijn genade, al meer en meer gelijkvormig aan Hem worden.

Die waarheid wordt uitgedrukt door het geheimenisvolle gebed van de priester, na de consecratie:

« Deemoedig bidden wij U almachtige God, laat dit offer door de handen van uw heilige Engel overdragen op uw hoogverheven altaar, vóór het aanschijn van uw goddelijke Majesteit: opdat wij allen, die aan dit offer deelnemen door het nuttigen van het allerheiligste lichaam en bloed van uw Zoon, met alle hemelse zegening en genade vervuld worden ».

Dit is dan een allerbeste manier om het H. Misoffer bij te wonen, met het oog, met de geest en met het hart te volgen wat er op het altaar geschiedt, zich te verenigen met de gebeden, die de Kerk op dat zo heilig ogenblik haar bedienaars op de lippen legt. Wanneer wij ons aldus verenigen, door een diepe eerbied, een levendig geloof, een vurige liefde, een waarachtig leedwezen over onze fouten, met Christus, hogepriester en slachtoffer van zijn sacrificie, alsdan neemt Christus, die in ons leeft, in zijn hart al onze meningen op en biedt zijn Vader een volmaakte aanbidding, een volkomen voldoening aan; Hij doet Hem een waardige dankzegging en zijn gebed is alvermogend.

De sacramentele Communie

De sacramentele Communie, vrucht van het Eucharistisch Offer, is voor de ziel het zekerste middel om met Jezus verenigd te blijven.

In de vereniging met Christus bestaat, het ware leven der ziel, de bovennatuurlijke heiligheid; Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken, de genade is het sap dat in de takken omhoog stijgt om ze vruchten te doen dragen. Welnu, vooral door de gave van zichzelf in ’t H. Sacrament doet Christus in ons de genade overvloedig stromen.

Laten we met geloof en eerbied, met liefde en vertrouwen, dit mysterie van leven overwegen, waarin we ons verenigen met Hem, die én ons goddelijk toonbeeld én onze oneindige voldoening én de bron zelf van geheel onze heiligheid is. Vervolgens zullen we zien, in welke gesteldheid wij hem behoren te ontvangen om tot die volmaakte vereniging te komen, welke Christus door de gave van zichzelf met ons wil verwezenlijken.

Hij geeft ons vooreerst het antwoord dat Hij de eerste maal heeft laten horen, toen Hij de Joden de instelling van het H.Sacrament aankondigde: « Gelijk de levende Vader mij zond, en Ik leef door de Vader, zó ook wie Mij eet, ook hij zal door Mij leven », Sicut misit me vivens Pater, et ego vivo propter Patrem, et qui manducat me et ipse vivet propter me (Joh. 657).

 ’t Is alsof Hij zei: Mijn verlangen is, u mijn goddelijk leven mede te delen. Ik heb mijn wezen, mijn leven, alles, van mijn Vader; en omdat Ik alles van Hem heb, leef Ik slechts voor Hem: Ik verlang met een brandend verlangen dat gij ook, alles van Mij hebbende, slechts leeft voor Mij. Uw lichamelijk leven onderhoudt en ontwikkelt gij door het voedsel; Ik wil het voedsel zijn van uw ziel, om haar leven, dat Ikzelf ben, te onderhouden en te ontwikkelen.

Het goddelijk leven kan in ons door andere wegen binnenkomen, maar ’t is door de heilige Communie dat het onze zielen « als een onstuimige vloed » overstroomt. De Communie is zozeer een sacrament dat leven geeft, dat zij door zichzelf de dagelijkse zonden, waaraan wij niet meer gehecht zijn, vergeeft en uitwist; zij bewerkt dat het goddelijk leven in de ziel, wederom zijn kracht en schoonheid krijgt, groeit, zich ontwikkelt en overvloedige vruchten voortbrengt.

« In Christus blijven », is vooreerst door de genade deel hebben aan zijn goddelijk zoonschap: het is één zijn met Hem daar wij gelijk Hij, alhoewel op een andere wijze, het kind van God zijn. Dat is de eerste en voornaamste vereniging, die Christus zelf aanduidt in de gelijkenis van de wijnstok: « Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, draagt vele vruchten ».

Die vereniging is niet de enige. In Christus « blijven » is zich met Hem vereenzelvigen in alles wat ons verstand, onze wil, onze werkdadigheid betreft.

Wij blijven in Christus door het verstand, wanneer we, door een akte van eenvoudig, zuiver en volledig geloof, alles aannemen wat Christus ons zegt. Het Woord is altoos in de schoot van de Vader; Het ziet de goddelijke geheimen, en Het deelt ons mede wat het ziet: Unigenitus Filius, qui est in sinu Patris, ipse enarravit (Joh. 118).

Door het geloof zeggen wij: « Ja », Amen, op alles wat het mensgeworden Woord, ons zegt; we nemen zijn woord aan; en op die wijze vereenzelvigen we ons met Christus in ons verstand. De H. Communie doet ons in Christus blijven door het geloof; we kunnen Hem niet ontvangen, dan indien we door het geloof aannemen alles wat Hij zegt en alles wat Hij is. Hoort wat Onze Heer tot de Joden zegt, wanneer Hij hun de instelling van ’t H. Sacrament aankondigt: « Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geenszins honger lijden, en wie in Mij gelooft zal nimmer dorst lijden » (Joh. 6 35).

In Hem blijven, is nog onze wil aan Hem onderwerpen, het is geheel onze bovennatuurlijke werkdadigheid van zijn genade afhankelijk maken. — Dat betekent, dat wij in zijn liefde moeten blijven, door in alles zijn Wil aan te nemen: Si praecepta mea servaveritis, MANEBITIS IN DILECTIONE MEA, sicut et ego Patris mei praecepta servavi, et manco in ejus dilectione (Joh. 1510).

Het is zijn belangen behartigen, het is zich geheel aan Hem overleveren, zonder berekenen, zonder iets voor zich te houden of iets te hernemen; want, is men niet vastberaden en standvastig, dan kan men niet blijven met dit volle vertrouwen dat de bruid heeft in de bruidegom.

Wanneer we lichamelijk voedsel in ons opnemen, veranderen we dat in onze eigen zelfstandigheid; doch Christus geeft zichzelf tot voedsel aan ons, om ons in Hem te veranderen.

De H.Leo schrijft deze merkwaardige woorden: « De deelneming aan Christus’ lichaam en bloed brengt in ons, geen ander uitwerksel voort dan ons te doen overgaan in hetgeen wij nemen », Nihil aliud agit participatio corporis et sanguinis Christi, quam ut in id quod sumimus transeamus. (Het delen van Christus’ lichaam en bloed doet niets anders dan doorgeven aan wat we eten.).

St. Augustinus is nog uitdrukkelijker; hij doet Christus zeggen: « Ik ben het voedsel der sterken; heb geloof en eet Mij. Maar gij zult Mij niet in u veranderen; doch gij zult in Mij veranderd worden ».

En St. Thomas, « Ik leef, neen, ik ben het niet meer die leef, maar Christus leeft in Mij ».

Maar hoe geschiedt die geestelijke verandering?

Met Jezus Christus te ontvangen, ontvangen wij Hem geheel en gans: zijn vlees, zijn bloed, zijn ziel, zijn mensheid, zijn godheid. Christus deelt ons zijn gedachten mee, laat ons aan zijn gevoelens deelnemen; Hij deelt ons zijn deugden mee, maar bovenal « ontsteekt Hij, in ons het vuur, dat Hij op aarde is komen, brengen » (Luc. 1249), het vuur der goddelijke Liefde, der goddelijke minne dat is het doeleinde der verandering, door het H. Sacrament voortgebracht. « De kracht van dit sacrament, zo schrijft St. Thomas, bestaat in een zekere verandering in Christus bij middel van de liefde. En dat is zijn bijzondere vrucht… Het is eigen aan de liefde, hem die bemint te veranderen in het voorwerp zijn liefde ». — Dat wil, zeggen dat ‘Christus komst’ in ons van nature er naar streeft, tussen zijn en onze gedachten, zijn en onze gevoelens, zijn en onze wil, zulk een ruiling, zulk een gemeenschap, zulk een gelijkenis te scheppen dat wij geen andere gedachten, noch gevoelens, noch wil hebben dan die van Christus: Hoc enim sentite in vobis, quod et in Christo Jesu (Phil. 25). En dat, door de liefde; de liefde levert de wil aan Christus over, en door de wil geheel ons wezen, geheel onze krachtdadigheid; en omdat de liefde de gehele mens overlevert, is zij het middel, van onze bovennatuurlijke verandering, van onze bovennatuurlijke wasdom. Zeer wel heeft de H. Johannes gezegd « Hij. die blijft in de liefde, blijft in God, en God in hem » (1 Joh. 416).

Zonder dat is er geen waarachtige « communie », geen waarachtige vereniging met Christus; wij ontvangen Christus met de lippen, maar terzelfder tijd moeten wij ons met Hem verenigen met de geest, met het hart, met de wil, met geheel onze ziel, om, zoveel ons dit hierbeneden mogelijk is, aan zijn goddelijk leven deel te nemen; zodat door ons geloof in Hem, door onze liefde tot Hem, werkelijk zijn leven en niet meer ons eigen « ik » het grondbeginsel van ons leven zijn. Dat wordt duidelijk te kennen gegeven door een gebed, dat de Kerk de priester na de Communie doet opzeggen: « Moge, o Heer, zo smeken we de werking van deze hemelse gave onze zielen en lichamen geheel doordringen: opdat niet onze zinnen, maar de kracht van dit Sacrament in ons steeds de overhand heeft ».

De Kerkvaders spreken zelfs van een nog rechtstreekser invloed. Is dat, te verwonderen? Toen Christus Jezus op aarde leefde, was de enkele aanraking van zijn mensheid voldoende om de lichamen te genezen. Zou die macht verminderd zijn, omdat Christus zich verbergt onder de sacramentele gedaanten? « Meent gij, mijn dochters, zei de H. Teresia, dat dit allerheiligste voedsel ook het lichaam niet ondersteunt, en geen hulpmiddel is voor zijn kwalen?

Ik echter, ik weet dat het die kracht heeft. Ik ken iemand (zonder twijfel spreekt de heilige van zichzelf), die buiten haar grote kwalen dikwijls hevige pijnen voelde terwijl zij naar de communiebank ging, en die nauwelijks het Brood des levens had ontvangen, of zij voelde alle kwalen verdwijnen, als werden ze met de hand weggenomen…

Vóór de Communie vraagt de priester aan Christus, dat « het ontvangen van zijn heilig lichaam een heilmiddel mag zijn voor ziel en lichaam ».

Datzelfde gebed doet ons de Kerk herhalen in meer dan een van haar Postcommunio’s, op het ogenblik dat wij God bedanken voor de ontvangen goddelijke gave: « Zuiver onze zielen, o Heer, vernieuw ze door uw hemelse sacramenten, opdat onze lichamen zelf in deze wereld zowel als in de andere uw almogende kracht ondervinden ».

God beminnen door het hart van Christus, God loven door de lippen van Christus, leven door zijn leven. De goddelijke tegenwoordigheid van Jezus en zijn heiligmakende kracht doordringen zo innig ons wezen, onze ziel en ons lichaam met al hun vermogens, dat wij een andere Christus worden.

Dat is het waarlijk verheven einddoel der vereniging met Christus in het H. Sacrament, welke vereniging iedere Communie volmaakter wil verwezenlijken. Kenden we toch de gave Gods! Want zij, die uit die bron het water der genade putten, lijden nimmer dorst, hun dorst is voor immer gelest: Qui autem biberit ex aqua quam ego dabo ei, non sitiet in aeternum (Joh. 413).

Zulke wonderbare uitwerksels worden in de ziel niet voortgebracht, zonder dat zij zich heeft voorbereid tot de uitstorting van zoveel goederen. Weliswaar, de sacramenten brengen uit zichzelf de vrucht voort, waarvoor zij ingesteld zijn; doch op voorwaarde dat geen beletsel hun werking in de weg sta: Non potentibus obicem. — Wat is hier nu het beletsel?

Er kan er natuurlijk geen zijn vanwege Christus: « In Hem zijn al de schatten der godheid », en door zich aan ons te geven verlangt Hij oneindig ze ons mee te delen ; Hij is er niet zuinig mee, want indien Hij komt om ons het leven te geven, wil Hij het ons overvloedig geven ;tot ieder van ons herhaalt Hij, wat Hij tot zijn Apostelen heeft gezegd op de avond der instelling van het H. Sacrament: « Met een vurig verlangen heb ik begeerd dit paaslam met u te eten », Desiderio desideravi hoc pascha manducare vobiscum (Luc. 2215).

Het beletsel is dan in ons. — Welk is dat beletsel?

Om het te kennen, hebben wij slechts de natuur van het H. Sacrament te beschouwen. ’t Is een voedsel, dat het leven der ziel moet onderhouden en de vereniging moet duurzaam maken.

Al wat dus het bovennatuurlijk leven en de vereniging in de weg staat, is een beletsel tot het ontvangen en tot het vrucht voortbrengen van het H. Sacrament. De zware zonde, die de dood der ziel veroorzaakt, is het volkomen beletsel; gelijk het voedsel slechts aan de levenden wordt gegeven, zo wordt het H. Sacrament slechts aan hen gegeven, die reeds het leven der genade bezitten. ‘Dat is de eerste voorwaarde: samen met « de oprechte mening », is zij voldoende opdat elke gelovige moge tot Christus naderen en het Brood des levens ontvangen.

Alzo heeft, in een gedenkwaardig document, de grote Paus Pius X vastgesteld. Het sacrament werkt ex opere operato: door zichzelf voedt het H. Sacrament des Altaars de ziel, vermeerdert de genade en meteen de vurigheid der blijvende liefde. Dat is de eerste en wezenlijke vrucht van het sacrament.

Gij ziet dus dat Onze Heer acht geeft op de gesteldheid, op de liefdeblijken, waarmee we Hem ontvangen. De H. Communie is het Sacrament van vereniging, en hoe minder beletselen tot die volmaakte vereniging Christus ontmoet, des te groter zijn in ons de genade-uitwerksels van zijn Sacrament. De Catechismus van het Concilie van Trente zegt ons « dat wij heel de overvloed van Gods gaven ontvangen, wanneer wij aan de H.            Communie met een wel gesteld en volkomen voorbereid hart deelnemen ».

We mogen, indien we die vereniging in haar volmaaktheid verlangen, met Christus niet « dingen » om de vrijheid van ons hart; we mogen in ons hart geen plaats, hoe klein ook, voorbehouden voor het schepsel om zichzelf bemind; wij moeten ons van onszelf ontdoen, los worden van het schepsel, verlangen naar de volmaakte komst van Christus’ rijk in ons, door de onderwerping van geheel ons wezen aan zijn Evangelie en aan de werking van zijn Geest.

Wanneer Onze Heer een ziel alzo gesteld vindt, volkomen en zonder voorbehoud aan zijn werking overgeleverd, dan handelt Hij in haar met een goddelijke kracht die, daar zij geen hinderpaal ontmoet, wonderen van heiligheid voortbrengt. Het gebrek aan zulke dispositio unionis legt uit waarom menige ziel, niettegenstaande haar veelvuldige communiën, zo weinig vordering maakt in de volmaaktheid. In die zielen vindt Christus niet de bovennatuurlijke buigzaamheid, die Hem zou toelaten met volkomen vrijheid in hen te handelen; zij worden verdeeld door vrijwillige niet gewraakte gehechtheden, die hen vasthouden aan hun ijdelheid, hun eigenliefde, hun lichtgeraaktheid, hun zelfzucht, hun jaloersheid, hun zinnelijkheid, en die beletselen zijn dat de vereniging tussen hen en Christus geschiede met die kracht, met die volkomenheid, welke de herschepping der ziel teweegbrengt en voltooit.

Maar, indien het waar is « dat wij niets kunnen zonder Christus Jezus, hoeveel meer wordt dat woord bewaarheid, is ’t voor ons zake, de heiligste daad van onze dag te vervullen! Zichzelf sacramenteel met Christus Jezus in de H. Communie verenigen, is voor het schepsel het verhevenste werk dat er bestaat; alle menselijke wijsheid, hoe uitstekend ook, is niets, met dat werk vergeleken. Zonder de hulp van Christus zelf kunnen wij ons daartoe, niet behoorlijk voorbereiden.

Het moment van de H. Communie zelf.

Is nu eenmaal het moment gekomen om te communiceren, dan blijft slechts de onmiddellijke voorbereiding over.

Onze Heer wil, met een vurige wil, ze ons mededelen; maar Hij vraagt dat we onze harten zouden verruimen door het verlangen en het vertrouwen. God weet zonder twijfel wat we nodig hebben, zegt St. Augustinus, maar Hij wil dat door het gebed ons verlangen zal ontvlammen, ten einde ons bekwamer te maken om te ontvangen wat Hij voor ons gereed maakt. We zullen des te bekwamer zijn om het Brood des levens te ontvangen, naarmate ons geloof in dat leven groter zal zijn, ons vertrouwen standvastiger, ons verlangen vuriger ».

« Open u door het geloof, door het vertrouwen, door de liefde, door heilige verlangens, door uw overgeving aan Mij, en Ik zal u vullen ». — « Waarmee, o Heer? » « Met Mijzelf ».

Ik zal Mij aan u geven, geheel en gans, met mijn mensheid en mijn godheid, met de vrucht mijner mysteriën, met de verdiensten mijner werken, met de voldoening mijner smarten, en met de prijs van mijn lijden.

Ik zal in u neerdalen, zoals weleer op aarde, om er « het werk van de duivel te vernietigen » (I Joh. 38); om er, samen met u, mijn Vader goddelijke hulde aan te bieden; Ik zal u doen deelhebben aan de schatten van mijn godheid, van mijn goedheid, van het eeuwig leven dat Ik heb van mijn Vader en dat mijn Vader u door Mij wil mededelen, opdat gij aan Mij zou gelijk wezen Ik zal u met mijn genade vervullen, om zelf uw wijsheid, uw heiliging, uw weg, uw waarheid, uw leven te worden. Gij zult een ander Mijzelf worden, voorwerp, gelijk Ik dat ben, van het welbehagen van mijn Vader ».

« Open uw ziel, en Ik zal ze vullen ».

Dankzegging

Wanneer we alzo met Jezus verenigd zijn en we onszelf aan Hem geven, voert Hij ons, door het geloof dat wij in Hem hebben, tot in het Heilige der heiligen, Usque ad interiora velaminis (Hebr. 619). Aldaar kunnen we ons verenigen met de akten van vurige aanbidding, die de H. Drieëenheid van ‘Christus’ mensheid ontvangt. Op dat ogenblik zijn we zo innig met Christus verenigd, dat we onszelf de akten zijner heilige mensheid kunnen toe-eigenen, en de eeuwige Vader, in de eenheid van de H. Geest, uiterst aangename huldebewijzen aanbieden. Christus zelf wordt onze dankzegging, onze Eucharistie; Hij is, vergeet dat nooit, onze aanvulling voor al onze zwakheden, voor al onze ziekten, vooral onze ellenden. Wat een onbeperkt vertrouwen verwekt de tegenwoordigheid van Christus niet in onze ziel!

We kunnen, met Magdalena neergezeten aan de voeten van Jezus, vertrouwelijk spreken met Hem, luisterend naar wat Hij hun zegt in ’t diepste hunner ziel, en bereid om Hem alles te geven wat Hij vraagt; want in die ogenblikken dat het goddelijk licht in ons is, toont Jezus dikwerf aan de edelmoedige, ziel wat Hij van haar verlangt. « ’t Zijn de kostbare stonden, zegt de H. Teresia, die volgen op de H. Communie; alsdan schept de goddelijke Meester er behagen in, ons te onderwijzen: luisteren we naar Hem, en uit erkentenis, daar Hij zich gewaardigt ons zijn lessen mee te delen, kussen we Hem zijn voeten en smeken we hem dat Hij zich niet van ons verwijderd.

Ook nog kunnen we inwendig spreken met Onze Heer, alsof we ons aan de voet van het kruis bevonden; of we kunnen mondelinge gebeden doen, zoals psalmen opzeggen die betrekking hebben op de H. Eucharistie: « De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken; Hij heeft mij op vette weiden neergezet, en heeft mij geleid bij verfrissende wateren, Hij verkwikt mijn ziel… Al moest ik ook gaan te midden des doods, geen kwaad zou ik vrezen; want Gij, o Heer, Gij zijt met mij » (Ps. 221-4).

Christus geeft alles wanneer Hij zichzelf geeft; wij ook, wij behoren alles te geven, door Hem uit de grond des harten het woord te herhalen, dat Hijzelf zei: Quae placita sunt ei facio semper, Ik wil steeds volbrengen wat U behaaglijk is » (Joh. 829); of nog, dit woord van Jezus tot zijn Vader in het Laatste Avondmaal, woord dat zelf de uitdrukking is der volmaakte vereniging: « Al het mijne is het uwe, en het uwe is het mijne », Et mea omnia tua sunt, et tua mea sunt (Joh. 1710).

Dat is inderdaad, ik herhaal het nogmaals, de bijzondere vrucht der H. Communie: onze vereenzelviging, door het geloof en de liefde, met Christus. Ontvangt gij behoorlijk het lichaam van Christus, zegt St. Augustinus, dan zijt gij wat gij ontvangt.

De eigenaardige kracht van dat voedsel bestaat in de eenheid voort te brengen, in ons zo innig met Christus’ lichaam te verenigen dat wij, zijn lede, maten geworden, zelf zijn wat wij ontvangen »

Bron: Christus, het leven der ziel, 1942, de zalige Dom Columba Marmion

Bewerkt; Br. Hendrikus 2022